De Roodhuid, voorjaar 2002

 

Ik weet niet hoe het anderen vergaat, maar nadat mijn bootje meestal ergens eind oktober uit het water wordt gehaald, kijk ik er de eerste drie à vier maanden nauwelijks naar om. Als begin maart de eerste voorjaarstekenen zich laten aanzien, komt er die dag waarop ik het pak wit uitgeslagen hagelslag en een geroest blikje bier uit het etenskastje vis, om vervolgens de hele boel maar eens schoon te gaan maken. Tijdens deze voorjaarsschoonmaak maak ik direct de erfenis op van het afgelopen zeilseizoen en welke uitdaging dit jaar de inmiddels 64-jarige romp weer te bieden heeft.

 

De meeste booteigenaren kennen de zwakke plekken van hun schip wel, maar ik neem aan dat iedereen ook wel eens verrast wordt tijdens een dergelijke inspectiebeurt. Het kopse eiken waarvan de wrangen gezaagd zijn, vertoond heel lang een hard uiterlijk, maar rot van binnen uit, kuipranden waar water bij het tent- of schaarbeslag wel eens stil blijft staan, of de puttingen van de verstaging die maar blijven werken in het jaarlijks zo zorgvuldig geverfde dek, om maar een paar zwakke plekken van onze houten metgezellen te noemen.

 

Dit jaar verliep niet anders dan voorgaande jaren en na de inspectie  bleek ik naast het gebruikelijke schilder- en lakwerk minimaal vier uitdagingen aan te moeten gaan :

 

·         Al twee jaar ergerde ik me aan die paar drupjes per uur die niet door het linnen dakje werden weerstaan en uiteindelijk toch natte kussens en watervlekken veroorzaakten. Van alle CvS-schepen zijn er volgens mij nog maar een handjevol met het traditionele linnen dakje. Ook de Roodhuid wordt nu dus voorzien van een epoxylaag op het vurenhouten dak. De twee luiken dus maar losgeschroefd, de mastkoker -die met maar zes kleine boutjes gemonteerd bleek te zijn- voor het eerst eraf gehaald en toen de houten railing die toch al aan een grote beurt waren, en het slopen kon beginnen. Het linnen bleek van een zwaardere kwaliteit dan ik gedacht had en zou ook wel eens canvas kunnen zijn. Binnen een half uur had ik het vurenhout dak blank liggen. De randjes rondom de kajuit en de luiken kosten me echter zeker een halve dag voordat ik die ontdaan had van de laatste restjes van deze traditionele dakbedekking. Verbazingwekkend was voor mij de onberispelijke staat van het vermoedelijk ingevette traditionele bruine pakpapier dat onder het linnen bleek te zitten. Weer en wind hebben een verwoestende invloed op hout, maar dit papier zou je bij wijze van spreken kunnen hergebruiken. Om de naadjes tussen de smalle vuren delen op te vullen ga ik volgende week ik denk met een spuit cikaflex aan de gang. Vervolgens wordt het hele dek geschuurd en heb ik voor SP 320 epoxy met een matje gekozen om het dak weer waterdicht te maken. Ik ben benieuwd of ik het er netjes op krijg.

·         De kuiprand aan de achterzijde en voor dertig centimeter aan stuurboord bleek te zwaar aangetast te zijn om het te herstellen. De zaag er dus maar in en een paar plankjes nieuw mahonie gehaald bij Boelsma Jachtbouw in Sneek. Keer op keer wordt ik bij het schaven en zagen aan de nieuwe delen geconfronteerd met m’n eigen beperkingen op dit gebied. Gelukkig kwam die dag een kennis langs die veertig jaar het beroep van timmerman had uitgevoerd en werd ik geholpen om een en ander mooi pas te krijgen. Overigens maak ik alles altijd eerst helemaal klaar en pas en wacht ik vervolgens een maand voordat alles in elkaar wordt gezet. De aangrenzende delen kunnen dan die periode even goed drogen voordat de epoxy zijn werk mag gaan doen.

·         Het achterdek vertoonde al een paar jaar blaasjes die ik er maar niet uit kreeg. Bij het uitzagen van de kuiprand bleek dat ook het achterdek na jarenlange trouwe dienst aan vervanging toe was. Zoals het hele dek bestaat ook het achterdek uit onbehandelde vuren latten die bedekt zijn met een masoniet toplaag. Masoniet is eigenlijk een soort watervast hardboard van zo’n 3 millimeter dik. Hoewel de oppervlakte niet meer dan één vierkante meter was, koste mij het toch zeker een halve dag en drie pleisters alvorens het vurenhout blank lag. Eerst het helmhout los maken, iets dat denk ik al tientallen jaren niet gebeurdwas, vervolgens het houten hakje eronder weg, de houten brandstofslangdoorvoer losgebeiteld, de buis waar de mik in staat en al het beslag er af gehaald. De 20 cm. brede stroken masoniet waren niet alleen met meer dan honderd spijkertjes vastgezet, maar ook nog eens gelijmd. Stukje bij beetje slaagde ik er in om het af te brokkelen om vervolgens met de beitel de restjes af te steken. 

·         Toen het achterdek bloot lag, bleek ook hoezeer de spiegel ingewaterd was. Over de eiken spiegel zat een hechthouten schandspiegel en met name die laatste laag was niet meer te redden. Het woord schandspiegel kent trouwens twee verklaringen. Ten eerste kon je de schande van de ingewaterde zwarte uiteinden van de boegen of latten ermee verbergen door er simpelweg een spiegel overheen te plaatsen. Ten tweede is deze techniek een stuk simpeler dan het plaatsen van een spiegel tussen de houten rompdelen in en was het dus eigenlijk een schade als je dat niet kon. Wie al eens de zaag in de romp heeft gezet met als doel de hele spiegel er maar uit te zagen, kent het vreemde gevoel bij het aanschouwen van een schip zonder achterzijde. Een groot gapend gat bied je wel de gelegenheid het achteronder van je drie centimeter kortere schip eens goed te bewonderen….. Ik heb trouwens er voor dezelfde constructie gekozen en zal dus naast een dure plaat mahonie tevens op zoek moeten naar een stuk hout om de binnenspiegel van te maken.

 

 

Joost de Ruig 

 



Terug